Multiple sclerose

Uitleg in de spreekkamer · Tabula I–V
Home
Tabula I

Wat is MS?

Het afweersysteem valt de isolatielaag van de zenuwen in de hersenen en het ruggenmerg aan.

Gezond
Gezonde zenuw, snelle geleiding snel

De prikkel springt snel van knoop naar knoop (saltatoire geleiding).

Schub (demyelinisatie)
Demyelinisatie, trage of geblokkeerde geleiding traag blokkade

Op de kale plek hapert de prikkel — trager of geblokkeerd. Echte, blijvende ontsteking.

Warmte / koorts (Uhthoff)
Uhthoff, warmte blokkeert tijdelijk een herstelde vezel tijdelijk

Bij warmte valt een net-herstelde vezel tijdelijk uit: pseudoschub. Koelt af → klacht verdwijnt weer.

Fig. 1 — Prikkelgeleiding: gezond, tijdens een schub, en bij warmte (Uhthoff = pseudoschub)
Waar zitten de laesies?
Zenuwstelsel met typische MS-lokalisaties 1 2 3 4 5
  1. 1Nervus opticusoogzenuw — wazig zien, pijn bij oogbewegen
  2. 2Juxtacorticaaltegen de schors aan — vaak stil, soms uitval
  3. 3Periventriculairrond de ventrikels — 'Dawson's fingers'
  4. 4Infratentorieelhersenstam/kleine hersenen — dubbelzien, duizelig, onvast
  5. 5Myelum (ruggenmerg)ruggenmerg — gevoel, kracht, blaas
Fig. 2 — Typische MS-lokalisaties in hersenen en ruggenmerg
Myeline

Om iedere zenuwvezel zit een vettige isolatielaag. Die zorgt dat het signaal snel en netjes doorschiet — zoals de mantel om een elektriciteitskabel.

De aanval

Bij MS ziet het afweersysteem die laag aan voor iets vreemds en valt hem aan. Er ontstaat een ontsteking: een laesie of plekje.

Het gevolg

Het signaal komt vertraagd of niet aan. Wát u merkt hangt af van waar het plekje zit — oog, been, evenwicht, gevoel.

Tabula II

Hoe ontstaat de ontsteking?

De afweercellen zitten normaal in het bloed. Bij MS raken ze geactiveerd, glippen door de bloed-hersenbarrière naar binnen, en richten zich daar tegen de myeline.

B-cel (groen) T-cel (blauw)
Route van B- en T-cellen van bloed naar centraal zenuwstelsel BLOED BLOED-HERSENBARRIÈRE HERSENEN T B B-cel activeert T-cel glippen naar binnen antistoffen ontsteking → myeline beschadigd (laesie)
Fig. 2 — Van bloed naar hersenen: activatie, passage, aanval
T-cel · blauw

De soldaat. Eenmaal binnen in de hersenen richt hij de schade aan de myeline aan en trekt andere afweercellen aan.

B-cel · groen

De aanjager. Hij zet de T-cel aan het werk en maakt antistoffen. Daarom werken medicijnen die B-cellen wegvangen zo goed.

Tabula III

De vormen van MS

Beloop van RRMS, SPMS en PPMS in de tijd TIJD → RRMS SPMS PPMS aanval — herstel — aanval eerst aanvallen, daarna langzame toename vanaf het begin geleidelijk
Fig. 3 — Hoger in de lijn = meer klachten. Tijd loopt naar rechts.
CIS

Eerste aanval

Eén episode van klachten, bijvoorbeeld een oogzenuwontsteking. Nog geen MS-diagnose, maar wel een reden om de MRI goed te bekijken.

RRMS

Relapsing-remitting

De meest voorkomende vorm — ongeveer 85% aan het begin. Aanvallen (schubs) met daartussen herstel, soms volledig, soms met restklachten.

SPMS

Secundair progressief

Na jaren RRMS gaan de klachten langzaam toenemen, ook zonder duidelijke aanvallen. Aanvallen kunnen nog voorkomen.

PPMS

Primair progressief

Ongeveer 10–15%. Vanaf het begin een geleidelijke toename, zonder duidelijke aanvallen. Vaak begint het in de benen.

Tabula IV

Waar het plekje zit, bepaalt wat u merkt

MS kan overal in hersenen en ruggenmerg toeslaan. Daarom verschilt de ziekte zo sterk van persoon tot persoon.

Oogzenuw

Wazig of dof zien aan één oog, pijn bij oogbewegingen, kleuren die verbleken.

Ruggenmerg

Tintelingen, doof gevoel, een band om de romp, zwakte in benen, blaasproblemen.

Hersenstam

Dubbelzien, draaiduizeligheid, slikken of praten dat moeizamer gaat.

Kleine hersenen

Onvast lopen, beverige handen, coördinatie die niet meewerkt.

Vermoeidheid

De klacht die het zwaarst weegt en het minst te zien is. Niet hetzelfde als moe zijn.

Denken

Trager schakelen, moeite met concentreren of twee dingen tegelijk doen.

Tabula V

Behandeling

Er zijn drie sporen: de aanval kort afremmen, nieuwe aanvallen voorkómen, en klachten verlichten. De middelen hieronder horen bij het tweede spoor: hoog-effectieve afweerremmers die in Nederland beschikbaar zijn. Ze remmen de ontsteking — ze herstellen bestaande schade niet.

grijpt aan op B-cellen grijpt aan op T-cellen op beide houdt cellen tegen bij de barrière
Bij een aanval

Een kuur methylprednisolon (infuus of tabletten, meestal 3–5 dagen) laat de ontsteking sneller uitdoven. Het verandert niets aan het beloop op lange termijn.

Klachten verlichten

Fysiotherapie, revalidatie, medicijnen tegen spasticiteit, blaasklachten, pijn of vermoeidheid. Bewegen, niet roken en voldoende vitamine D horen erbij.

Tabula VI

Hoe wordt de diagnose gesteld?

De diagnose volgt de McDonald-criteria (herziening 2024). De kern: aantonen dat de ontsteking verspreid is in de ruimte (verschillende plekken in het zenuwstelsel, DIS) én in de tijd (op verschillende momenten ontstaan, DIT). Nieuwe biomarkers maken een snellere diagnose mogelijk. Eerst worden alternatieve diagnoses uitgesloten.

Verspreiding in de ruimte (DIS): 5 regio's

Nieuw in 2024: de oogzenuw is de 5e regio. DIS = laesies in minstens 2 van deze 5.

1Periventriculair
2Corticaal / juxtacorticaal
3Infratentorieel
4Ruggenmerg
5Oogzenuwnieuw
Diagnostisch schema (bij een typische presentatie)
Typische klachten + verdachte MRI, mimics uitgesloten
≥ 4 / 5laesies in 4 of 5 regio's
MS
2–3 / 5DIS aangetoond (≥2 regio's)
plus één van:
  • DIT (nieuwe laesie in de tijd, of Gd+ én niet-Gd+ tegelijk)
  • positieve liquor: oligoklonale banden óf kappa-FLC-index ≥ 6,1
MS
1 / 5slechts 1 regio
aanvullende specificiteit nodig:
  • ≥ 6 laesies met central vein sign, óf een paramagnetic rim lesion
  • plus DIT óf positieve liquor
MS

Bij primair progressieve MS kunnen ≥2 ruggenmerglaesies bijdragen aan DIS, samen met progressie ≥12 maanden.

De aanvullende onderzoeken
MRI met contrast (DIT)

Een aankleurende (Gd+) én een niet-aankleurende laesie tegelijk = verspreiding in de tijd. Ook een nieuwe laesie op een latere scan telt.

Serum Liquor Lumbaalpunctie — oligoklonale banden

Extra banden in de liquor die niet in het bloed zitten, wijzen op ontsteking in het zenuwstelsel. Vervangt DIT als DIS al is aangetoond.

κ-index ≥ 6,1 Kappa vrije lichte ketens (κ-FLC)

Nieuw in 2024: de κ-FLC-index (≥ 6,1) is uitwisselbaar met oligoklonale banden — sneller, geautomatiseerd, geen bandjes-beoordeling nodig.

Central vein sign (CVS)

Een adertje dwars door het midden van een laesie — typisch voor MS. ≥6 zulke laesies verhogen de zekerheid. Ondersteunend, niet verplicht.

Paramagnetic rim lesion (PRL)

Een laesie met een donkere ijzerrand: teken van chronisch-actieve ontsteking. Zeer specifiek voor MS. Ondersteunend.

P100 ↑ latentie Visueel opgewekte potentialen (VEP)

Meet hoe snel het signaal van oog naar cortex loopt. Een vertraagde P100-piek verraadt (ook oude) schade aan de oogzenuw.

RNFL / GCIPL OCT — netvlieslagen

Meet de dikte van de zenuwvezellaag. Een verschil tussen beide ogen (buiten een acute ontsteking) wijst op oogzenuwschade — bewijs voor de 5e regio.

De criteria gelden alleen bij een passende klinische context en na uitsluiting van mimics (o.a. NMOSD, MOGAD, vasculair). CVS en PRL zijn ondersteunend en niet overal beschikbaar. Dit schema is een samenvatting, geen vervanging van de volledige richtlijn.